Rb. Amsterdam – C/13/704937 / HA RK 21-247

Rb. Amsterdam – C/13/704937 / HA RK 21-247

Beschikking van 9 december 2021

in de zaak van

1. [verzoeker 1],

wonende te [woonplaats] ,

2. [verzoeker 2],

wonende te [woonplaats] ,

verzoekers,

advocaat mr. M. de Boorder te ’s-Gravenhage,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

HOIST FINANCE AB,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

gemachtigde de heer N. Mantezila.

Verzoekers worden hierna afzonderlijk [verzoeker 1] en [verzoeker 2] en gezamenlijk [verzoekers] c.s. genoemd. Verweerster wordt hierna Hoist Finance genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • – het verzoekschrift, met bijlagen, binnengekomen ter griffie op 15 juli 2021,
    – de beschikking van 9 september 2021, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
  • – de aanvulling op het verzoekschrift, met één bijlage,
  • – het verweerschrift, met bijlagen,
  • – het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 november 2021 en de daarin genoemde stukken.
    1.2. De beschikking is bepaald op heden.
    2. De feiten

2.1.

[verzoekers] c.s. zijn bij (de rechtsvoorganger van) Hoist Finance op 1 februari 2010 een doorlopend kredietovereenkomst aangegaan met contractnummer [nummer] met een krediet van € 28.500,00. 2.2.

In september 2010 is op de maandelijkse aflossing van het doorlopend krediet voor het eerst een achterstand ontstaan. De achterstand bedroeg € 477,93. De achterstand is destijds ingelopen en heeft geen consequenties gehad. 2.3.

Hoist Finance heeft per brief van 23 januari 2014 aan [verzoeker 2] medegedeeld dat sprake was van een betalingsachterstand van € 508,94 en heeft [verzoeker 2] erop gewezen dat het niet betalen van de termijnbedragen kan leiden tot een negatieve codering bij het Bureau Krediet Registratie (hierna: BKR) en opeising van de totale schuld. 2.4.

Hoist Finance heeft per brief van 5 februari 2014 aan [verzoeker 2] medegedeeld dat de achterstand was opgelopen tot € 772,21. [verzoeker 2] krijgt in die brief nog vijf dagen om de totale achterstand te betalen. Laat zij dat na, zal Hoist Finance een codering in het BKR registreren. 2.5.

Hoist Finance heeft per brief van 3 maart 2014 aan [verzoeker 2] medegedeeld dat de betalingsachterstand is opgelopen tot € 1.035,76 en dat de incassering van het gehele schuldbedrag zal worden overgedragen aan een incassobureau, tenzij [verzoekers] c.s. binnen vijf dagen betaalt. 2.6.

Op 1 januari 2015 hebben [verzoekers] c.s. met Hoist Finance een betalingsregeling getroffen waarbij [verzoekers] c.s. maandelijks € 649,08 betaalde aan Hoist Finance. 2.7.

[verzoekers] c.s. en Hoist Finance hebben in 2019 een regeling getroffen waarbij door Hoist Finance een deel van de door [verzoekers] c.s. verschuldigde rente is kwijtgescholden. 2.8.

Op 1 oktober 2020 hebben [verzoekers] c.s. het doorlopend krediet afbetaald. [verzoekers] c.s. hebben in totaal € 40.667,67 betaald. Dit bedrag bestaat voor € 28.500,00 uit krediet en voor het overige deel uit rente. 2.9.

[verzoekers] c.s. hebben in het Centraal Krediet Informatiesysteem (hierna: CKI) van het BKR de volgende registratie:
“(…) Kredietsoort: Doorlopend krediet
Contractnummer: [nummer]
Bedrag: € 28.500
Registratiedatum: 10-02-2010
Datum 1e aflossing: 08-02-2010
Verwachte einddatum: N.v.t.
Werkelijke einddatum: 01-10-2020

Datum codering Codering Toelichting
06-02-2014 A Achterstand
01-10-2020 3 Bedrag van 250 Euro of meer is afgeboekt

Als er geen wijzigingen plaatsvinden wordt dit contract verwijderd in oktober 2025 (…)” 2.10.

Op 4 februari 2021 heeft Dynamiet Nederland namens [verzoekers] om informatie verzocht bij Hoist Finance met betrekking tot de registratie in het CKI. Op dit verzoek is door Hoist Finance op 17 februari 2021 gereageerd.
2.11. Dynamiet Nederland heeft namens [verzoekers] c.s. per brief van 19 mei 2021 aan Hoist Finance verzocht in te gaan op de proportionaliteit en subsidiariteit van de registratie. 2.12.

Hoist Finance heeft per e-mail van 4 juni 2021 gereageerd op het verzoek van Dynamiet Nederland en heeft haar medegedeeld dat Hoist Finance van oordeel is dat de registratie aan die eisen voldoet en niet zal worden verwijderd.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoekers] c.s. verzoekt – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:

I. primair:
Hoist Finance beveelt binnen één week na de datum van de beschikking de registraties van [verzoekers] c.s. met contractnummer [nummer] in het CKI van het BKR te (doen laten) verwijderen,
subsidiair:
Hoist Finance beveelt de registraties van [verzoekers] c.s. met contractnummer [nummer] in het CKI van het BKR te beperken tot een termijn van drie jaar en deze registratie derhalve te (doen laten) verwijderen per oktober 2022,
meer subsidiair:
Een beslissing neemt die de rechtbank juist acht,

II. bepaalt dat, indien Hoist Finance niet aan de onder I. genoemde veroordeling voldoet, zij een dwangsom verbeurt van € 2.000,00 voor iedere dag dat zij niet aan de veroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,00,

III. Hoist Finance veroordeelt tot betaling van de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten. 3.2.

[verzoekers] c.s. leggen aan het verzoek ten grondslag dat de registratie niet (langer) proportioneel is. [verzoekers] c.s. zijn nadat in 2014 een betalingsachterstand is ontstaan terecht in het BKR geregistreerd met een codering A. In januari 2015 hebben [verzoekers] c.s. en Hoist Finance een betalingsregeling getroffen. Hoist Finance had daarop, conform artikel 24 van het Algemeen Reglement CKI (hierna: AR), een codering 1 in het BKR moeten plaatsen. Als Hoist Finance dat had gedaan zou, conform het bepaalde in artikel 28 lid 2 en 5 AR, vijf jaar na de registratie een heroverweging hebben plaatsgevonden. Omdat [verzoekers] c.s. de betalingsregeling jarenlang zijn nagekomen zou bij de heroverweging zijn besloten dat handhaving van de coderingen niet langer noodzakelijk is. Onder die omstandigheden was de registratie al in 2020 verwijderd. De huidige situatie van [verzoekers] c.s. maakt dat de BKR registratie alsnog verwijderd dient te worden. De betalingsachterstand is in 2014 ontstaan door een kortstondig probleem. De situatie van [verzoekers] c.s. is al sinds het aangaan van de betalingsregeling in 2015 financieel stabiel. [verzoekers] verdient sinds die tijd een goed inkomen, eerst in loondienst, tegenwoordig met zijn eigen onderneming als stratenmaker. [verzoekers] c.s. hebben geen schulden. [verzoekers] c.s. wonen momenteel in een huurwoning. Daarnaast huren zij een loods, waarin de werkspullen van [verzoekers] worden opgeslagen. De huurlasten van die twee objecten liggen hoog. [verzoekers] c.s. wensen een woning te kopen, met opslagruimte voor de werkspullen. Met het aangaan van een hypotheek zullen zij hun lasten kunnen verlagen. De BKR registraties maken het hen onmogelijk om een hypothecaire lening af te sluiten. [verzoekers] c.s. hebben dan ook groot belang bij het verwijderen van de BKR-registraties. 3.3.

Hoist Finance voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek van [verzoekers] c.s. Hoist Finance voert aan dat er bij [verzoekers] c.s. geen sprake is van een goede betaalmoraal. Dat blijkt uit de omstandigheid dat al in juni 2010, vier maanden na het aangaan van het krediet, de eerste betalingsachterstanden waren ontstaan. Er is sprake van een ‘non-starter’. [verzoekers] c.s. wisten bij het aangaan van het krediet al dat zij niet aan de betalingsverplichtingen zouden kunnen voldoen, althans hadden dit moeten weten. Hoist Finance heeft een incassobureau moeten inschakelen. In 2014 is opnieuw een betalingsachterstand ontstaan, waarna Hoist Finance een codering A heeft geregistreerd in het BKR. Vervolgens heeft zij het gehele krediet opgeëist en op 22 maart 2014 een codering 2 geregistreerd in het BKR. De codering 2 is om voor Hoist Finance onduidelijke redenen uit het BKR verwijderd. Het was niet mogelijk om na het opeisen van het volledige krediet en het plaatsen van een codering 2, alsnog een codering 1 te plaatsen. Een codering 1 kan namelijk enkel worden geplaatst als het krediet nog niet volledig is opgeëist. Dat was in dit geval dan ook een gepasseerd station. Er is pas ruim een jaar verstreken sinds de BKR registratie van een einddatum is voorzien. De situatie van [verzoekers] c.s. dient verder te stabiliseren. Het kan wel zijn dat er momenteel sprake is van een inkomen, maar dit maakt nog niet dat er voor de toekomst zekerheid bestaat dat er dan aan betalingsverplichtingen kan worden voldaan. De wens van [verzoekers] c.s. om een woning te kopen heeft geen spoedeisend belang. Bovendien is niet komen vast te staan dat [verzoekers] c.s. met de BKR registratie geen hypotheek kunnen krijgen. De bescherming van de belangen van kredietverleners is dan ook nog steeds noodzakelijk in het geval van [verzoekers] c.s. Om die reden is het te vroeg om over te gaan tot verwijdering van de registratie. 3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Hoist Finance is een aanbieder van krediet in de zin van artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft). Op grond van artikel 4:32 lid 1 Wft is Hoist Finance verplicht deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie. Op grond van artikel 4:34 Wft is Hoist Finance verplicht om voorafgaand aan het sluiten van een kredietovereenkomst met een consument, informatie in te winnen over de financiële positie van de consument. Het CKI is een stelsel van kredietregistratie, dat door BKR wordt bijgehouden. Hoist Finance is deelnemer aan het CKI en als zodanig gebonden aan het door BKR vastgestelde AR, waarin nadere regels zijn opgenomen omtrent de kredietregistratie. Betalingsachterstanden of andere onregelmatigheden die ontstaan tijdens de looptijd van een krediet, worden in het CKI weergegeven met een bijzonderheidscode. Als de vordering is voldaan, wordt bij het contract een einddatum genoteerd en gaat een termijn van vijf jaar lopen, waarna de bijzonderheidscode wordt verwijderd. 4.2.

Registraties als de onderhavige BKR-registraties zijn aan te merken als verwerkingen van persoonsgegevens waarop de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) van toepassing is. Deze BKR-registraties blijven in beginsel staan tot oktober 2025. De vraag is of er grond is voor eerdere verwijdering. 4.3.

In de rechtspraak is momenteel een discussie gaande over de rechtsgrond voor de registratie en de handhaving van BKR coderingen. Het gaat, kort samengevat, om de vraag of de grondslag voor dergelijke verwerkingen van persoonsgegevens ligt in artikel 6 lid 1 sub c AVG (noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, hierna: de c-grond) dan wel in artikel 6 lid 1 sub f AVG (noodzakelijk voor de behartiging van gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke, hierna: de f-grond). 4.4.

De grondslag voor de registratie is van belang voor de wijze waarop en de termijn waarbinnen een verzoek tot het wissen/verwijderen van dergelijke registraties moet worden beoordeeld. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft op 21 januari 2021 hierover prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad (ECLI:NL:RBAMS:2021:174). De advocaat-generaal heeft op 15 oktober 2021 geconcludeerd dat zijns inziens dient te worden aangesloten bij de f-grond, onder andere omdat dit de grond is die in het AR uitdrukkelijk is aangewezen als de toepasselijke verwerkingsgrondslag, dat het BKR richtlijnen heeft uitgevaardigd voor de toepassing daarvan en dat onder de voorloper van de AVG, de Wet bescherming persoonsgegevens, ook de f-grond de aangewezen route was. De c-grond leent zich hier niet voor, nu wel in de wet is bepaald dat kredietinstellingen verplicht zijn deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie, maar de vereiste verwerking van persoonsgegevens hierin niet is uitgewerkt. Niet is wettelijk bepaald welke gegevens in het CKI geregistreerd moeten worden en onder welke voorwaarden dit plaatsvindt. Dit is wel uitgewerkt in het AR, maar dat is een contractuele regeling, waarvoor geen wettelijke basis is (ECLI:NL:PHR:2021:831). 4.5.

De rechtbank zal, gelet op het hiervoor overwogene uit de conclusie van de advocaat-generaal, ook aansluiten bij de f-grond. Dit betekent dat aan [verzoekers] c.s. het recht van bezwaar op grond van artikel 21 lid 1 AVG toekomt. Dit houdt in dat wanneer een betrokkene bezwaar maakt tegen verwerking van persoonsgegevens de verwerkingsverantwoordelijke dat bezwaar moet honoreren, tenzij de gerechtvaardigde gronden voor verwerking zwaarder wegen dan de belangen van de betrokkene. Verder moet volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad de verwerking van persoonsgegevens steeds voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit (HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8097, Santander). Dit brengt mee dat de inbreuk op de belangen van betrokkene niet onevenredig mag zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel (proportionaliteitstoets), en dat dit doel in redelijkheid niet op een andere, voor betrokkene minder nadelige, wijze kan worden verwezenlijkt (subsidiariteitstoets). Ook als de gegevensverwerking in beginsel is toegestaan en de verwerker zich heeft gehouden aan het AR van het CKI, kan deze belangenafweging niet achterwege blijven. 4.6.

Het doel van de kredietregistraties en het daaruit voortvloeiende belang van Hoist Finance moeten dus worden afgewogen tegen de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van [verzoekers] c.s. In het kader van een verzoek op grond van artikel 21 AVG moet de kredietaanbieder ingaan op de door de betrokkene aangedragen – en zo veel als mogelijk onderbouwde – met zijn specifieke situatie verband houdende redenen voor bezwaar. Omstandigheden die een rol kunnen spelen bij de beoordeling van het bezwaar zijn bijvoorbeeld:

  • – de omvang van de schuld en/of de achterstand;
  • – het percentage dat is kwijtgescholden;
  • – of een eventuele betalingsregeling goed is nagekomen;
  • – de reden voor (het ontstaan en voortbestaan van) de achterstand en de mate van verwijtbaarheid;
  • – de huidige financiële situatie van betrokkene (waaronder het inkomen) en als deze weer stabiel is: hoe lang al;
  • – of betrokkene andere schulden heeft;
  • – of sprake is geweest van ernstige (al dan niet structurele) wanbetaling;
  • – de omstandigheid dat betrokkene met de lening (bijvoorbeeld voor de koop van een woning) niet kan wachten tot de vijfjaarstermijn is verstreken (bijvoorbeeld vanwege gezins- en woonsituatie);
  • – het verstrijken van de tijd sinds het inlossen van de schuld.

4.7.

Ten aanzien van deze laatste omstandigheid – tijdsverloop – wordt nog het volgende overwogen. De in artikel 14 AR opgenomen vijfjaarstermijn is geen wet in formele of materiële zin. Die termijn behelst een beleidsbeslissing van de representatieve organisaties die tezamen de Stichting BKR bemensen en heeft als zodanig gezag. Naarmate het einde van de termijn van vijf jaar nadert, krijgt de factor tijdverloop in het algemeen meer gewicht. De reden daarvan is dat de nog wel aanwezige belangen bij het voortduren van de registratie na het verstrijken van een langere periode steeds verder in gewicht afnemen in relatie tot de belangen van de betrokkene bij verwijdering daarvan. Kortom, de ‘lat’ wat betreft het gewicht van de over en weer in aanmerking te nemen belangen komt dus met het voortschrijden van de tijd na de registratie van de herstelmelding, steeds hoger te liggen voor de kredietverstrekker en dienovereenkomstig lager voor degene ten aanzien van wie de gegevens zijn geregistreerd. 4.8.

De rechtbank zal de juistheid van de stelling van [verzoekers] c.s. dat na het plaatsen van de codering 2 alsnog een codering 1 had moeten worden geplaatst, met daardoor in 2020 een heroverweging als gevolg, in het midden laten. De rechtbank is namelijk na een belangenafweging van oordeel dat de registraties van [verzoekers] c.s. in het BKR ten aanzien van het doorlopend krediet dienen te worden verwijderd. Aan dit oordeel ligt het volgende ten grondslag. 4.9.

Hoist Finance voert aan dat [verzoekers] c.s. een slechte betaalmoraal hadden, maar iets dergelijks is de rechtbank niet gebleken. Dat in 2010, kort na het aangaan van het doorlopend krediet, een achterstand is ontstaan, heeft niet tot gevolg gehad dat een registratie in het BKR is geplaatst, dit is destijds opgelost. De in 2015 getroffen betaalregeling is door [verzoekers] c.s. steeds nagekomen. Bovendien hebben [verzoekers] c.s. uiteindelijk het volledige krediet en een groot bedrag aan rente betaald, in totaal ruim € 40.000,00. Het ontstaan van de achterstanden hangt samen met de financiële situatie van [verzoekers] c.s. van destijds. [verzoekers] c.s. hebben voldoende aangetoond dat de financiële situatie sinds 2015 financieel stabiel is en dat [verzoekers] sinds die tijd een boven modaal inkomen verdient. [verzoekers] c.s. hebben geen andere schulden. 4.10.

Dat [verzoekers] c.s. een codering 3 hebben in het BKR hangt samen met de kwijtschelding van ongeveer € 1.400,00 aan rente (wat betekent dat er meer dan € 250,00 door de kredietverstrekker is afgeboekt). Hoist Finance heeft bij het geven van die kwijtschelding niet aan [verzoekers] c.s. verteld dat dit zou leiden tot de registratie van een codering 3 gelijktijdig met de registratie van de werkelijke einddatum. Hoist Finance heeft verklaard dat zij dit niet aan [verzoekers] c.s. hoefde te vertellen omdat het plaatsen van een codering 3 een puur administratieve handeling is. [verzoekers] c.s. hebben ter zitting verklaard dat dit niet klopt, dat een dergelijke codering wel degelijk extra gewicht heeft. Kredietverstrekkers kijken namelijk naar de soort coderingen die iemand in het BKR heeft en zij zijn minder snel geneigd een krediet te verstrekken wanneer een kredietnemer niet alleen een einddatum heeft, maar ook een codering 3. Dit betekent namelijk voor kredietverstrekkers dat zij een groter risico lopen dat ze mogelijk niet het volledige kredietbedrag zullen ontvangen. [verzoekers] c.s. hebben verklaard dat, als zij hierover volledig waren ingelicht, zij mogelijk geen kwijtschelding voor de rente hadden aangevraagd, maar het volledige bedrag zouden hebben terugbetaald.
De rechtbank acht deze verklaring van [verzoekers] c.s., die verder niet concreet is weersproken door Hoist Finance, aannemelijk, gelet op de omvang van het totale krediet, het relatief kleine bedrag aan rente dat is kwijtgescholden en de impact van het aanvaarden van deze kwijtschelding. Hoist Finance had [verzoekers] c.s. hierover moeten inlichten, hetgeen zij dus ten onrechte heeft nagelaten. 4.11.

Tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde omstandigheden hebben [verzoekers] c.s. voldoende aangetoond dat zij belang hebben bij verwijdering van de registraties en dat het tweeledig doel van registratie, namelijk bescherming van kredietverstrekkers en bescherming van de consument tegen overkreditering niet langer speelt in de situatie van [verzoekers] c.s. Uit hetgeen Hoist Finance hier tegenover heeft gesteld is niet gebleken dat er gerechtvaardigde gronden zijn voor verwerking die zwaarder wegen dan de belangen van [verzoekers] c.s. 4.12.

Dat [verzoekers] c.s. (pas) ruim een jaar geregistreerd staan, maakt de uitkomst van de belangenafweging niet anders, nu uit de aangevoerde omstandigheden, waaronder met name het gegeven dat [verzoekers] c.s. vanaf januari 2015 tot oktober 2020 aan hun betalingsverplichtingen hebben voldaan, is gebleken dat registratie niet langer het voorgeschreven doel dient. 4.13.

De rechtbank zal Hoist Finance dan ook bevelen de BKR-registraties te (doen laten) verwijderen. 4.14.

Hoist Finance heeft tegen de door [verzoekers] c.s. verzochte dwangsom geen verweer gevoerd. Dit verzoek zal dan ook worden toegewezen. 4.15.

Hoist Finance zal, als de in het ongelijke gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van [verzoekers] c.s. begroot op:
– griffierecht € 309,00
– salaris gemachtigde € 1.126,00 (2 punten x tarief € 563,00)
Totaal € 1.435,00 4.16.

De nakosten zullen worden begroot en toegewezen op de wijze zoals hierna onder de beslissing is vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank 5.1.

veroordeelt Hoist Finance om binnen een week na betekening van de beschikking de A3 codering van [verzoekers] c.s. in het CKI van het BKR te (doen laten) verwijderen, 5.2.

veroordeelt Hoist Finance tot betaling van een dwangsom van € 2.000,00 voor iedere dag dat zij niet voldoet aan hetgeen in 5.1. is opgenomen, met een maximum van € 50.000,00, 5.3.

veroordeelt Hoist Finance in de proceskosten, aan de zijde van [verzoekers] c.s. tot op heden begroot op € 1.435,00, 5.4.

veroordeelt Hoist Finance in de na dit vonnis aan de zijde van [verzoekers] c.s. ontstane nakosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de veroordeelde niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, 5.5.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.H. Mulderije, bijgestaan door mr. Z.S. Lintvelt en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2021.

Schreibe einen Kommentar

Deine E-Mail-Adresse wird nicht veröffentlicht.